European Junglefowl Focus Group - EJFGGenus Gallus
DE | EN | ES | FR | NL | PT
 
----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
 
Home > Wilde kamhoenders > Introductie wilde kamhoenders  

Aviornis International

WPA-Benelux

Secretariaat:
Zwamstraat 74
3900 Overpelt
België

Tel.:
+32 11 643 735
Fax:
+32 11 643 735

E-mail:
ejfg@wpa-benelux.info

Website:
www.aviornis.nl/ejfg
www.wpa-benelux.info/ejfg

Meer informatie:
Veelgestelde vragen
Sitemap

Introductie wilde kamhoenders - Genus gallus

 

Algemene omschrijving wilde kamhoenders

Wilde kamhoenders zijn slanke sierlijke wilde hoenderachtige die zeer nauw met verwant zijn met fazanten en die nog steeds in hun natuurlijk biotoop in Azië voorkomen. Ze vertonen een in de vogelwereld uniek kenmerk, namelijk een vlezige uitwas centraal en longitudinaal op de kop: de kam. Vandaar ook de Nederlandse benaming "kamhoenders". De engelse benaming "Junglefowl" verwijst dan weer naar hun biotoop en verspreidingsgebied. Bij iedere soort heeft de haan een eigen specifieke kamvorm.

Er zijn 4 soorten bekend die allen hun eigen kenmerken en karakteristieken hebben:

Wilde kamhoenders

 

Het rode kamhoen (Gallus gallus) wordt aangezien als de voorvader van al onze tamme (gedomesticeerde) kippenrassen en is dus meteen de vogel die de meeste impact gehad heeft op de mens, (daar ze nog steeds een van de belangrijkste leverancier van dierlijk eiwit is: vlees- en eierindustrie). De wilde kamhoenders gelijken dan ook op kippen, maar vertonen ook een aantal duidelijke fazantachtige kenmerken. Dit wil zeggen dat bepaalde oerkenmerken bij de wilde kamhoenders nog steeds behouden zijn, waar deze bij onze tamme kippen verdwenen of gewijzigd zijn. De kip is dan wellicht de meest bekende vogel ter wereld, zijn wilde voorvader heeft nog lang niet al zijn mysteries onthuld.

 

Biotoop

Wilde kamhoenders leven in de warme streken van Zuidoost-Azië, zowel in het laagland alsmede in de middengebergte. De dieren leven in verschillende biotopen, vanaf zeeniveau tot op een hoogte van 1.800 m. Ze komen voor in de vochtige oorspronkelijke oerbossen, in bamboebossen, in de jonge bossen in de buurt van de civilisatie, alsmede in het droge dorre struikgewas. Het meest belangrijke is dat de dieren voldoende dekking kunnen vinden.

Rode kamhoenders hebben van de vier soorten het grootste verspreidingsgebied. Ze komen zowel voor in de tropische jungle, bamboebossen, alsmede in de uitlopers van de Himalaya. Eveneens komen ze voor rondom de rijstvelden en de civilisatie.

Opmerkelijk is dat de rode kamhoenders ook zijn te vinden in de Sundarbans. De Sundarbans ofwel mangrovewouden in West-Bengal is de estuaria fase van de Ganges alsmede de Brahmaputra rivier. De rode kamhoenders leven in dit deltagebied enkel daar waar voldoende instroom van zoet water is vanuit het binnenland, met name aan de landzijde. Ook is er natuurlijk het regenwater dat in (soms tijdelijke) plassen bewaard blijft. Daarnaast zijn er door natuurbeheerders een aantal drinkpoelen gegraven.

Het groene Javahoen is echt een dier van de kust. Het leeft in de laaggelegen valleien, maar nooit ver van de kust vandaan. Het geeft de voorkeur aan droge terreinen met veel struikgewas en aan bamboebossen, rondom de rijstvelden en de civilisatie.

Sonnerathoenders en Lafayettehoenders komen zowel voor in de tropische jungle en bamboebossen, alsmede rondom de rijstvelden en de civilisatie.

 

Plaats in het ecologisch systeem

Wilde kamhoenders kennen een gevarieerd voedselpatroon. Zo eten ze diverse soorten graszaden, bamboezaden, maar ondermeer ook zaden van Trichosanthes, Rubus, Carissa, Shorea, bessen, vruchten (o.a. Euphorbiaceae, Vitex pubescens en Streblus cispen), kleine blaadjes en knoppen. In de buurt van de civilisatie doen ze zich ook veelvuldig tegoed aan rijstzaden (Oryza), mais, bonen en tapiocaknollen (Maniok). Ook eten ze diverse soorten insecten zoals kevers, sprinkhanen, mieren, termieten (evenals termieteneieren), larven en rupsen, maar ook andere geleedpotigen als spinnen. Eveneens staan wormen, en kleine hagedissen op het menu.

Wilde kamhoenders vormen een prooi voor diverse uiteenlopende diersoorten: zoals kleine katachtigen (bijv.: Felis chaus, Prionailurus vivernnus), diverse soorten civetkatten (bijv. Paradoxurus hermapbroditus), marterachtigen (bijv.: Martes charronia, Mustela sibirica), knaagdieren (bijv.: ratten en stekelvarkens), slangen en varanen. Zo is in een film van Nicole Viloteau te zien hoe een komodovaraan (Varanus komodoensis) een volwassen haan van het groene Javahoen wist te nuttigen. Vanuit de lucht wordt op wilde kamhoenders gejaagd door diverse roofvogels, ondermeer door valken, haviken, adelaars en uilen (bijv.: Bubo virginianus, Accipiter badius, Accipiter nisus, Spilornis cheela).

Ook de eieren van wilde kamhoenders worden gegeten door een groot aantal diersoorten, zoals door: diverse soorten apen, civetkatten, zwijnen, vogels, hagedissen, slangen en varanen.

 

Gedrag

De dieren zijn altijd schuw en voortdurend op hun hoede. Zelfs in de buurt van menselijke nederzettingen, zoals bij de heilige tempels. Alhoewel de dieren zich meestal verbergen, geven ze er de voorkeur aan om aan de buitenranden van de bosschages te foerageren. Met name in de vroege morgen en in de avond zijn de dieren te vinden op ontgonnen terrein en op open plekken in het bos.

De dieren leven het grootste deel van het jaar in kleine groepjes en / of in familieverband. Gedurende het broedseizoen zonderen de sterke hanen zich met één of meerdere hennen af. De jonge hanen leven dan afzonderlijk in groepjes van 2 of 3 hanen.

Om hun territorium aan te duiden, kennen de hanen van alle 4 de soorten een karakteristieke kraai. De kraai van het rode kamhoen lijkt op die van het gedomesticeerde hoen, maar is kort en wordt abrupt afgebroken: kukeleku. De kraai van het groene Javahoen is schor en klinkt als chaw-aw-awk. De kraai van het Sonnerathoen bestaat, net zoals bij het rode kamhoen, uit een enkele kraai met 4 samengestelde noten. De duur is ongeveer gelijk als bij het rode kamhoen en klinkt als ah ahah ah ah. De kraai van het Lafayettehoen klinkt als george joyce.

 

Voortplanting en ontwikkeling

Het nest van wilde kamhoenders bestaat uit een éénvoudig gegraven kuiltje in de grond en ligt goed beschut in het struikgewas. Met name bamboe en diverse soorten gras vormen een geschikte nestgelegenheid. De eieren worden enkel door de hen uitgebroed.

Het broedseizoen bij rode kamhoenders varieert na gelang het leefgebied. In Pakistan, India, Nepal, Bangladesh, Birma en in het Noorden van Laos en Vietnam en in het uiterste Zuiden van China heerst een warm gematigd klimaat. Het broedseizoen van de daar levende rode kamhoenders is in het late droge seizoen met een piek in de maanden april en mei. In het grootste gedeelte van Thailand, Laos en Vietnam Maleisië en Indonesië, is sprake van een tropisch klimaat. De rode kamhoenders hier broeden meer in het vroege droge seizoen met een piek in de maanden december tot januari. De eieren van het rode kamhoen zijn crèmewit en egaal van kleur. Het legsel bestaat uit 5 à 6 eieren en de broedduur bedraagt 19 dagen. De afmeting van een rode kamhoen ei is ongeveer 45,2 x 34,5 millimeter. De eieren wegen gemiddelde tussen de 30 en 35 gram.

Het groene kamhoen legt isabelkleurige tot witte eieren, voornamelijk in de maanden juni t/m november. De eieren vertonen doorgaans geen vlekjes. Een legsel bevat 6-10 eieren met afmeting van 44,5 x 34,5 millimeter. De eieren wegen gemiddelde tussen de 30 en 35 gram. De broedduur bedraagt 21 dagen.

Het legsel van het Sonnerathoen bestaat gewoonlijk uit 6-8 witte tot roze izabelkleurige eieren met een afmeting van ongeveer 46 x 36,5 millimeter. De eieren wegen gemiddelde tussen de 30 en 35 gram. Het broedseizoen van het Sonnerathoen is februari en maart. Doorgaans vertonen de eieren geen vlekken. De broedduur is 21 dagen.

Het legsel van het Lafayettehoen bestaat uit 2-4 isabel tot licht roze gekleurde eieren met soms bruin vlekjes en hebben een afmeting van ongeveer 46 x 34 millimeter. De eieren wegen gemiddelde tussen de 30 en 35 gram. Ook hier is het broedseizoen in februari en maart. De broedtijd bedraagt 19 dagen en éénjarige hanen zijn nog niet fokrijp.

Het gewicht van een ééndagskuiken van alle 4 de soorten is ongeveer 17 gram. De kuikentjes ontwikkelen als eerste de grote slagpennen en de staart en al na 2 weken zijn ze in staat om met de moeder in een boom te gaan slapen. Met name bomen die schuin zijn gevallen, vormen een geschikte slaapplaats, omdat de kuikentjes hier gemakkelijk in kunnen klimmen. Vervolgens ontwikkelen zich ook de veertjes op de borst, buik en rug. Als laatste worden de veertjes op de kop gevormd. De dieren blijven tot aan het volgende broedseizoen bij de moeder, dus ruim driekwart jaar.

 

Wilde kamhoenders versus kippen

Als voorvader van onze kippen vertonen wilde kamhoenders en kippen heel wat gelijklopende kenmerken. Niettemin zijn er bij de wilde kamhoenders nog kenmerken aanwezig die we bij de gedomesticeerde dieren niet meer terugvinden. We denken dan vooral aan fazantachtige kenmerken en gedragingen, het vluchtgedrag, en zeker ook de eclipsrui bij het rode- en grijze kamhoen. Door domesticatie zijn heel wat van de oorspronkelijke kenmerken verloren gegaan omdat die bij de gedomesticeerde nakomelingen weinig of geen nut meer hadden. Aan de andere kant zijn er bij de tamme dieren kenmerken bijgekomen die voor de wilde dieren fataal zouden kunnen zijn, bijvoorbeeld kortvleugeligheid bij bepaalde kippenraskuikens. Hierdoor is de eigenheid van de tamme kip gewijzigd t.o.v. zijn wilde voorvader die de specifieke kenmerken en gedragingen nodig had en heeft om te kunnen overleven in het wild. In tegenstelling tot het wilde kamhoen is de tamme kip een echt productiedier geworden voor eieren en vlees.

 

Bronnen:

  • Delacour J., 1977, The pheasants of the world (second edition), Spur Publications, Alton Hampshire;
  • Hoyo del J., 1994, Handbook of the birds of the world (Volume 2), Lynx Edicions, Barcelona
  • Johnsgard Paul A., 1999, The pheasants of the world (second edition), Smithsonian Institution Press, Washington, D.C.
  • Nishida T., 2000, Morphological Identification and Ecology of the Red Junglefowl in Thailand, Laos and Vietnam, Animal Science Journal, Vol. 71, No. 5;

 

----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
© 2010 European Junglefowl Focus Group - EJFG