European Junglefowl Focus Group - EJFGGenus Gallus
DE | EN | ES | FR | NL | PT
 
----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
 
Home > Wilde kamhoenders > Soorten en ondersoorten  

Aviornis International

WPA-Benelux

Secretariaat:
Zwamstraat 74
3900 Overpelt
België

Tel.:
+32 11 643 735
Fax:
+32 11 643 735

E-mail:
ejfg@wpa-benelux.info

Website:
www.aviornis.nl/ejfg
www.wpa-benelux.info/ejfg

Meer informatie:
Veelgestelde vragen
Sitemap

 

Wilde kamhoenders - Soorten en ondersoorten

 

Genus Gallus (Brisson, 1760)

Het was Linnaeus die in zijn werk "Systema Naturae" in 1758 de kip in het geslacht Phasianus onderbracht als Phasianus gallus. Hij noemde daar een uit het wild afkomstig exemplaar van het rode kamhoen in één adem met een hele reeks kweekvormen van tamme kippen. Nauwelijks twee jaar later stelde de Fransman Brisson (Ornitologie, Paris, 1760) voor de naam Gallus als genusnaam te gebruiken. Ondertussen zijn er in dit genus vier soorten ondergebracht:

Gallus gallus (Linné, 1758) of het rode kamhoen

Morfologische beschrijving

De haan toont een scharlakenrode getande kam en keellellen en een rode onbevederde gezicht. De kleur van de oorlellen varieert, na gelang het verspreidingsgebied, van rood, via rood met een witte waas tot aan melkwit. Na gelang het verspreidingsgebied is het halsbehang en zadelveren oranjegeel tot rood van kleur en vertoont al dan niet een zwarte schachtstreep.

Bovenrug, grotere vleugeldekveren en kleinere slagpennen zijn glanzend blauwgroen, het bovendeel van het vleugeldek en een band op het midden van de rug diep donkerrood; bovenrug mahonierood, naar de stuit toe overgaand in een vurig oranjerood, waarbij de veren lang en lancetvormig zijn. De buitenste kleine slagpennen zijn roodachtig, de grote slagpennen zwartbruin. Staart en staartdek zijn metaalkleurig donkergroen. Opvallend is de witte veertoef bij de staartaanzet. Het onderlichaam is zwart. De ogen zijn rood tot oranje, de snavel is bruin, de punt en de bovensnavel zijn echter licht hoorngeel. De poten zijn blauwgrijs. De totale lengte is 65-75 cm, de vleugels 23-27,5 cm.

De hen bezit een gedeeltelijk onbevederd gezicht en keel, die helder rood zijn en gelang het verspreidingsgebied rood tot blauwwitachtige oorlellen; een kam is nauwelijks zichtbaar, evenmin de keellelletjes. Bovenkop en nek zijn roodachtigbruin, de halsveren zijn lang, donkerbruin met brede gele zomen. Het bovenlichaam is bruin met fijne zwarte golfjes en witte schachtstrepen. De borst is roodachtig bruin naar de buik overgaand in taan of voskleurig. De buikzijde, flanken en dijen zijn als de rug gekleurd. De ogen zijn bruin tot oranje, de snavel is hoornbruin. De poten zijn blauwgrijs. De totale lengte is 42-46cm, de vleugels 18,5-20 cm, de staart 14-15,5 cm.

De kuikentjes hebben een karakteristiek strepenpatroon. Ze hebben een brede bruine band vanaf de kruin tot op de romp. Vanaf de ogen tot aan de zijkanten van de nek loopt een smalle zwarte streep. Over de zijkanten van de rug lopen 2 kastanje bruine banden ingesloten door 2 zwarte banden. Het voorhoofd, de zijkanten van de kruin, het gezicht en 2 banden op de rug zijn isabelkleurig. De keel en de oorstreken zijn wit isabelkleurig even als de onderkant. Door de borst loopt een bruine band. De vleugels zijn roodbruin rossig.

Juveniele vogels lijken op de volwassen hen, echter de hanen hebben rood op de rug en grote geel- tot roodkleurige halsveren. Vaak zijn ook de kam en lellen al enigszins zichtbaar.

Verspreiding en ondersoorten

Het wordt aangetroffen van uiterst Noordoost-Pakistan en uiterst Noordoost-India in de provincie Kashmir, via Noordwest-India, Nepal, Bangladesh en Myanmar, Oostwaarts tot in het uiterste Zuiden van de provicies Yunnan en Guangxi in Zuidwest-China en het eiland Hainan. Zuidwaarts in Vietnam, Laos, Thailand, Cambodja tot in Maleisië en de Indonesische eilanden: Sumatra, Java en Bali. In India en Nepal komt de soort noordelijk tot in het lage gedeelte van de Himalaya en zuidelijk tot aan de Godavari rivier voor. Het betreft duidelijk een groot verspreidingsgebied en het is dan ook logisch dat er bij deze soort nogal wat geografische variatie optreedt. Dit verschijnsel heeft ertoe geleid dat er in de loop van de jaren meerdere ondersoorten beschreven zijn. In de meest recente ornithologische publicaties worden er vijf ondersoorten onderscheiden:

  • Gallus gallus gallus (Linné, 1758) in het zuidoosten van het verspreidingsgebied; in Oost-Thailand, Centraal- en Zuid-Laos, Cambodja en Centraal- en Zuid-Vietnam;
  • Gallus gallus spadiceus (Bonaterre, 1791) Zuidwest Yunnan in China, in Birma, Thailand (met uitzondering van het uiterste Noorden), Maleisië en Noord-Sumatra;
  • Gallus gallus bankiva (Temminck, 1813) op Zuid-Sumatra, Java en Bali;
  • Gallus gallus murghi (Robinson & Kloss, 1920)) in Noord-Pakistan, Noord- en Noordoost India, Nepal en Bangladesh;
  • Gallus gallus jaboullei (Delacour & Kinnear, 1928) in Noord-Vietnam en aangrenzend in China in Zuidoost-Yunnan en Guangxi en op het eiland Hainan.

 

N.B.: Peters voegt de twee ondersoorten G. g. gallus en G. g. spadiceus samen tot G. g. gallus. Volgens Nishida komt in het uiterste Zuiden van Thailand en in Maleisië G. g. gallus voor i.p.v. G. g. spadiceus. Hij maakt hierbij onderscheid tussen G. g, gallus Type C dat voor komt op het continent en G. g. gallus Type I dat voorkomt in het uiterste Zuiden van Thailand, op het Maleisische schiereiland, Sumatra, Suwalesi en op de Filipijnen.

In hoeverre deze "ondersoorten" werkelijk die status verdienen staat op dit ogenblik opnieuw ter discussie en vormt een verhaal op zich. Waarschijnlijk zal uiteindelijk alleen een uitgebreid DNA-onderzoek hier uitsluitsel kunnen bieden.

Eclipsrui

Opvallend bij het rode kamhoen is dat deze soort een eclipsrui kent. Na de zomerrui, in de maanden juni tot september, maken de rode veren van het halsbehang plaats voor korte afgeronde dofzwarte veren. Ook verliezen de hanen hun sikkelveren en schrompelt de kam veelal ineen en wordt dof van kleur.

Opmerkelijk is dat er een grote variatie wordt aangetroffen in het eclipskleed van het rode kamhoen. Over dit onderwerp is een specifieke publicatie van de EJFG verschenen: Variatie in het partiële eclipskleed bij de haan van het rode kamhoen (Gallus gallus).

De naam bankivahoen

De naam bankivahoen is vermoedelijk ontstaan door een verbastering vanuit het Javaans. Op Java worden namelijk de hybriden van het rode kamhoen met het gedomesticeerde hoen aangeduid met "ben"kiwa". Aangezien de "e"-klank in het Engels als een "a" wordt geschreven, is dit vermoedelijk vertaald als bankiva. Kennelijk heeft men zich niet gerealiseerd dat hiermee de hybride wordt bedoeld en heeft men in sommige delen van Europa de naam bankiva overgenomen, om daarmee de wilde vorm aan te duiden. Omdat de naam "bankiva" eigenlijk een foutieve vertaling is en bastaard betekent, geeft de EJFG de voorkeur de naam rode kamhoen te gebruiken. Strikt genomen geldt de naam "bankivahoen" ook slechts voor de Javaanse ondersoort (G. g. bankiva), terwijl de naam 'rood kamhoen' voor de hele soort kan gebruikt worden.

Gallus varius (Shaw, 1798) of het groene Javahoen

Morfologische beschrijving

De hanen van deze soort hebben een grote, ongetande kam en slechts één keellel die rozerood, blauw en geel gekleurd zijn. Het lichaam is zwart gekleurd met een groen halsbehang. De onbevederde gezichtshuid is rood, de schubachtige hals- en bovenrugveren zijn zwart met een drievoudige blauwe, groene en zwarte zoming. De lange onderrugveren en stuit zijn zwart met bronsgroene glans en smalle gele zomen. De uit 16 pennen bestaande staart is zwart met staalblauwe en erwtgroene metaalweerschijn. De sterk verlengde en draadvormige smalle vleugeldekveren zijn zwart met brede oranjerode zomen, de overige vleugeldelen en het onderlichaam zijn zwart. De ogen zijn geel, de snavel is hoorngeel, de poten witachtig tot lichtrood. Totale lengte 70 cm, vleugels 22-24,5 cm, staart 32-33 cm.

De hennetjes vallen op door hun slanke bouw en hun kaneelbruine lichaamskleur. Het groene Javahoen wordt enkel aangetroffen op Java en oostwaarts op de naburige eilanden. De hen is bruin aan de kop, glanzend bruinzwart met bleekgele schachtstrepen en duidelijke zomen van dezelfde kleur, waardoor een schubtekening ontstaat. De staartpennen zijn zwart met geelbruine en metaalglanzende donkere vlekken aan de randen. De keel is wit, de borst bleekbruin met zwartachtige gezoomde veren, de buik is grus tot roodachtig bruin, min of meer zwart gesprenkeld. De ogen zijn geel, de snavel is hoorngeel, de poten zun grijswit tot geelroodachtig. Totale lengte 40 cm, vleugels 19,5 cm, staart 11,4 cm.

Het kuiken lijkt op de kuikens van de andere 3 soorten, maar is donkerder van kleur. De vleugels en de band vanaf de kruin tot de staart zijn donker chocoladekleurig bruin. Het hoofd, nek en borst zijn bruin en de onderkant is crèmeachtig wit.

Juveniele vogels lijken op de hen, waarbij de jonge hanen vanaf 2 maanden zwarte veren met groengele randen beginnen te vertonen.

Verspreiding

Het groene Javahoen wordt aangetroffen op Java en Oostwaarts op de naburige Kleine Sunda eilanden: Madoera, Kangean, Bawean, Bali, Lombok, Soembawa, Flores en Alor.

Het groene Javhoen is eerder te vinden in West Java dan in het oostelijk deel van het eiland, waar het rode kamhoen veel meer voorkómt.

De naam vorkstaarthoen

Vroeger werd het groene Javahoen ook wel vorkstaarthoen genoemd. Deze naam is foutief en destijds ingeburgerd, omdat toen de soort nog niet beschreven was en nog onbekend was in Europa, de eerste geprepareerde dieren met een vorkstaart waren opgezet.

Bekissars

De hanen van het groene Javahoen worden in het natuurlijke verspreidingsgebied door mensen gehouden met als doel de dieren te kruisen met gedomesticeerde hoenders. De ontstane hybride wordt bekissar genoemd. Deze dieren zijn geliefd vanwege hun luide, langdurige monosyllabische kraai. Op Java worden kraaiwedstrijden gehouden, waarbij op de dieren wordt gewed. De hanen van deze hybriden zijn vruchtbaar; de hennen daarentegen leggen kleine eieren die gewoonlijk onbevrucht zijn.

Gallus sonneratii (Temminck, 1813) of het Sonnerathoen

Morfologische beschrijving

Hier valt vooral het halsbehang van de hanen op. De lange grijze nekveren dragen naar hun uiteinde toe lakplaatjes die witachtig tot oranje van kleur zijn. Voor de rest is het lichaam zwart en grijs, met een aantal opvallende roestkleurige veren. De kam is bij deze soort kleiner en ondieper ingesneden.

Het Sonnerathaan heeft een klein en ondiep getande rode kam, rode gezichtshuid en keellellen. De halsveren zijn lang, zwart met grijze zomen, die boven de punt twee tot drie witachtige hoornplaatjes dragen, die aan de punt geel tot oranje van kleur zijn. De lancetvormige veren van het onderlichaam zijn zwart met witte schachtstrepen en lichtgrijze zomen. Bij de flanken zijn de hanen roestrood van kleur. Het ruggevederte is purperzwart met witte schachten en smalle grijze zomen. De lange veren op de stuit hebben roestrode punten en grote gele en witte hoornplaatjes. De staart is glanzend purperzwart, de vleugdekveren hebben zwart met witte schachten en lange roestgele hoornpunten. De overige vleugeldelen zijn zwart, de ogen geeloranje, de snavel is hoornzwart met een geelachtige punt en een gele ondersnavel, de poten zijn geel tot lakrood. De totale lengte is 70-80 cm., de vleugels zijn 22-22,5 cm., de staart is 33-39 cm. Het gewicht is ca. 740-1130 gram.

De hennetjes hebben een bruine rugkleur en een mooie witbruine gezoomde borsttekening. Het Sonnerathoen vinden we op het Indiase schiereiland, ten westen van de Godavari-rivier. De hen is bruin met rode schachtlijntjes aan de bovenkop, het gezicht is lichtbruin, de halsveren hebben een izabelkleurig centrum, zwarte lijntjes en bruine zomen, de mantel is fijn lichtbruin en zwart gesprenkeld met witachtige isabelkleurige en zwartgezoomde schachtstrepen. De vleugels zijn zwart en bruin gesprenkeld; de buitenste staartpennen en de grote slagpennen zijn dof zwart, de keel is isabelwit; de borstveren zijn wit met brede zwarte of bruine zomen. De flanken zijn bruinachtig gezoomd. Het onderlichaam is licht isabelkleurig; de ogen zijn geeloranje, de snavel is hoornzwart met een geelachtige punt en een gele ondersnavel, de poten zijn geel tot lakrood. Totale lengte 38 cm.; vleugels 20-21,5 cm., staart 13-17 cm., gewicht 700-800 gram.

De kuikens lijken op de kuikens van het rode kamhoen, maar zijn donkerder en bruiner van kleur. Het hoofd en de onderkant zijn kastanje bruin.

Juveniele dieren lijken op de hen, maar de haan heeft soms grijze en roestkleurige veren. De staart is bij de haan zwart.

Eenjarige hanen lijken op de volwassen hanen, maar bezitten kortere en doffere veren, terwijl de vleugels zwart en roestbruin zijn. De kam, lellen en sporen zijn dan nog weinig ontwikkeld en gewoonlijk zijn deze jonge hanen nog onvruchtbaar.

Alhoewel er van het Sonnerathoen geen ondersoorten bekend zijn, is het zo dat de Noordelijke vogels vaak wat lichter van kleur zijn dan de vogels in het Zuiden.

Verspreiding

Het Sonnerathoen vinden we op het Indiase schiereiland, ten westen van de Godavari-rivier. Ze komen voornamelijk voor in West- en Zuid-India. In Centraal-India komen ze sporadisch voor en kruisen daar soms in de natuur met rode kamhoenders.

Eclipsrui

Ook het Sonnerathoen kent, even als het rode kamhoen, na de zomerrui een eclipsrui.. Hierbij maakt het halsbehang plaats voor korte afgeronde dofzwarte veren. en verliezen de hanen hun sikkelveren. Ook schrompelt de kam veelal ineen en wordt dof van kleur.

Vliegvissen

Helaas is het zo dat in India nog altijd Sonnerathanen worden gevangen vanwege hun mooie halsveren, waarvan de hoornachtige punten gebruikt worden als kunstvliegen voor de forellenvisserij. Dit ondanks strenge beschermingsmaatregelen.

Gallus lafayetii (Lesson, 1831) of het Lafayettehoen

Morfologische beschrijving

De hanen van deze soort vallen onmiddellijk op door hun grote ovale zwakgetande kam, die rood gekleurd is met een helgele vlam erin. De hanen hebben een rode onbevederde gezichthuid, keel en keellellen. Midden tussen de twee kinlellen draagt deze soort een kleine derde lel, eveneens rood van kleur. Het lichaam is geel tot oranje en blauw gekleurd. De hennetjes zijn bruin op de rug, zij het wat lichter dan de vorige soort. Opvallend is hier de duidelijke bloktekening op de vleugels. Het Lafayettehoen wordt enkel aangetroffen op Sri Lanka.De haan heeft roodachtige kopveren en roodgele zeer lange halsveren met brede oranjerode zomen en zwarte schachtstrepen. De rug en de kleine vleugeldekveren zijn eveneens roodoranje gekleurd. De veren op de stuit en van het zadelbehang zijn purperviolet van kleur. De andere vleugelveren zijn zwart-violet, even als de staart. De kleine staartdekveren zijn smal rood gezoomd. De borst kent lange smalle veren, die meer roodachtig zijn dan op de rug. De ogen zijn geel en de snavel is hoornachtig van kleur. Ook de poten zijn geel. De haan is 66-72 cm. lang, de vleugels zijn 22-24 cm en de staart is 23-40 cm. Het gewicht bedraagt ongeveer 635-1135 gram.

De hen heeft bruine kopveren met licht isabelkleurige schachtstrepen en geelachtige zomen. De hals, rug en staartdekveren zijn roodachtig isabelkleurig met een zwart tekening. De vleugels zijn wat donker en hebben lichte isabelkleurige en roodachtig bruine dwarsstreepjes. De staart is roodbruin met zwarte dwarsbanden en een fijne zwarte streeptekening. De keel is dof isabelkleurig en de borst en de flanken zijn roodbruinig met een fijne zwarte tekening. Deze veren kennen een zoming en een brede witte middenstreep De buik is witachtig. De ogen zijn matgeel en de snavel is hoornbruin. De poten zijn bruingeel van kleur. De lengte van de hen is ongeveer 35 cm.; de vleugels 17-18 cm en de staart 11 cm.

De kuikens lijken op die van het rode kamhoen, echter de markeringen zijn donkerde. De banden aan de zijkanten van het hoofd en de nek zijn zwartachtig.

Juveniele vogels lijken op de hen, echter de hanen hebben gele nekveren met een zwarte schachtstreep. De bovenkant is gemixed met rood. De borst kastanje rood en de buik dof zwart. Jonge hanen komen pas in hun tweede levensjaar volledig op kleur. De éénjarige hanen hebben geelgezoomde zwarte halsveren, een roodachtig gekleurde borst- en zwarte buikveren.

Verspreiding

Het Lafayettehoen wordt enkel aangetroffen op het eiland Sri Lanka. De soort komt in geheel Sri Lanka voor.

 

Bronnen:

 

----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
© 2010 European Junglefowl Focus Group - EJFG